Spaartax leidt (vooralsnog) niet tot kleerscheuren voor de overheid

Spaartax leidt (vooralsnog) niet tot kleerscheuren voor de overheid

Maak tijdig bezwaar tegen de Box III-heffing in de jaren 2013 en 2014.
Pagina afdrukken
Advocaat-Generaal (A-G) Ettema heeft in een aantal proefprocedures in het kader van het ‘massaal bezwaar’ tegen de Box III-heffing in de jaren 2013 en 2014 (voor eerdere jaren hadden de belastingplichtigen al bot gevangen) op oudejaarsdag 2018 niet het lont in het kruitvat willen steken (dit was voor de oudjaarsnacht overigens wel toepasselijk geweest). Zij heeft de Hoge Raad geadviseerd om de bezwaren tegen de Box III-heffing voor de desbetreffende jaren:
  • te verwerpen als de voorliggende rechtsvraag niet ruimer kan worden opgevat dan die ter beantwoording voorligt, te weten of het structureel niet behalen van een rendement van (minimaal) 4% op slechts de spaarsaldi, dient te leiden tot de constatering dat sprake is van een schending van het eigendomsrecht. Dit omdat de Hoge Raad in zijn arresten BNB 2015/174 en BNB 2016/177 heeft geoordeeld dat van een dergelijke schending op regelniveau (artikel 5.2 IB 2001) pas sprake is als ’zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last.’ Daarbij gaat het, aldus de A-G, om het rendement dat particuliere beleggers zouden kunnen behalen met behulp van alle mogelijke vormen van sparen en beleggen, onafhankelijk van het risico en dus niet met slechts, zoals de rechtsvraag lijkt te moeten worden opgevat, de risico-arme beleggingen, zoals de spaarsaldi, staatsleningen en obligaties.
  • te verwijzen naar een ander gerechtshof als de voorliggende rechtsvraag wel ruimer, en overeenkomstig de genoemde arresten, mag worden opgevat, teneinde nader te onderzoeken of uitgaande van de volle bandbreedte van de Box III-beleggingen over een lange reeks van jaren een rendement van (minimaal) 4% mogelijk is. Waarbij de A-G suggereert dat ‘een lange reeks van jaren’ een periode van maximaal 36 jaar bedraagt. Het verwijzingshof moet dan ook beoordelen of de Box III-heffing een buitensporige zware last vormt. De verwijzing is overigens voor de zaken die bij het gerechtshof Amsterdam zijn behandeld niet nodig. Dat hof heeft namelijk het in cassatie rechtens onaantastbaar oordeel geveld dat de ruim opgevatte rechtsvraag bevestigend beantwoord moet worden en de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP).
 
De A-G heeft, voor het geval de Hoge Raad, ondanks het bovenstaande toch oordeelt dat de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP, de Hoge Raad het advies gegeven dat van een teruggave van de dan onterecht geheven Box III-heffing geen sprake kan zijn, omdat als er verschillende manieren zijn om rechtsherstel aan de gedupeerden te bieden, het niet aan de rechter is om de oplossing aan te dragen maar aan de wetgever. 

Daarbij merkt de A-G fijntjes op dat de wetgever het forfaitaire Box III-stelsel per 1 januari 2017 heeft aangepast, waarbij de vraag of dat aangepaste stelsel al dan niet in strijd is met artikel 1 EP aan de orde dient te komen in een procedure over het belastingjaar 2017 of later. De Hoge Raad doet naar verwachting binnen enkele maanden uitspraak in de onderhavige zaken.
 

Ons advies

Om te kunnen aansluiten bij het massaal bezwaar tegen de Box III-heffing in de aanslagen inkomstenbelasting 2017 of later moet tijdig bezwaar aangetekend worden tegen de desbetreffende aanslag. Zonder een degelijk en tijdig bezwaarschrift is het vanaf 2017 niet langer mogelijk mee te liften met het eventuele succes van het massaal bezwaar.

Het massaal bezwaar dekt evenmin de situaties waarin als motivering tegen de Box III-heffing wordt ingebracht dat sprake is van een individuele buitensporige last. Dergelijk gevallen staan dus geheel buiten de proefprocedures waarover de A-G nu haar advies heeft uitgebracht. En in voorkomende gevallen staat haar advies dan ook een geslaagde procedure uitgaande van deze stelling dan ook niet in de weg. In bezwaar moet u dan wel een motivering aan de belastingdienst verstrekken waarbij het niet voldoende is om aan te tonen dat de Box III-heffing het daadwerkelijke rendement overtreft. Met inkomens- en vermogensgegevens moet aangetoond worden dat er ten aanzien van de Box III-heffing daadwerkelijk sprake is van een individuele buitensporige last. Elk ingediend bezwaarschrift wordt door de inspecteur apart beoordeeld. 

Voor de jaren 2013 en 2014 is het nu afwachten wat onze hoogste rechter met het advies van de A-G doet. We houden u op de hoogte!

Meer weten?

mr. Ton Honcoop RB

Spaartax leidt (vooralsnog) niet tot kleerscheuren voor de overheid

fiscalist - MKB

honcoop@auxiliumadviesgroep.nl 033 433 72 17
  • formeel belastingrecht
  • omzetbelasting
  • vennootschapsbelasting
  • inkomstenbelasting
09-01-2019